Op het persoonsgebonden budget, zoals genoemd in artikelen 6 lid 1 en 6a van de wet, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien van individuele voorzieningen;
de bedragen voor een persoonsgebonden budget voor een materiële voorziening worden bepaald als tegenwaarde van de voorziening die de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als de voorziening in natura zou zijn verstrekt.
de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het (gemeentelijk) Besluit;
Het college kan controleren of het verstrekte persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is, volgens de voorschriften zoals door het college in het (gemeentelijk) Besluit opgenomen.
Indien een belanghebbende met een persoonsgebonden budget een voorziening in eigendom heeft verworven, en hij de voorziening binnen de afschrijvingstermijn van de voorziening, zoals door het college vastgesteld in het (gemeentelijk) Besluit, niet meer gebruikt, omdat deze niet verwijtbaar meer adequaat is, kan de waarde van de desbetreffende voorziening worden verrekend met een eventueel nieuw toe te kennen persoonsgebonden budget. De waarde van de voorziening is gebaseerd op de door het college in het (gemeentelijk) Besluit vastgestelde afschrijvingssystematiek.
Verrekening zoals bedoeld in lid 3 vindt niet plaats, indien de belanghebbende de desbetreffende voorziening binnen een redelijke termijn aan de gemeente schenkt.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 2
Artikel 32
Bepalingen
Onderdeel van Verordening Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gemeente Kerkrade 2012