Naar hoofdinhoud

Artikel 9

Termijn van betaling

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van Zeehavengelden 2011

1.. De aangifte wordt gelijktijdig met de betaling bij de in artikel 231, tweede lid onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar, gedaan bij de inspecteur. 2.. De zeehavengelden moeten overeenkomstig de aangifte aan de in artikel 231, tweede lid, onderdeel c van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar, de ontvanger, worden betaald op de eerste werkdag volgende op de dag van aankomst van het zeeschip in de haven, doch vóór het tijdstip waarop het zeeschip uit de haven vertrekt. Bij voortgezet verblijf in de haven, na afloop van de termijn waarover zeehavengelden zijn betaald, moet opnieuw aangifte worden gedaan en moet zeehavengelden worden betaald bij de aanvang van elke volgende termijn. 3.. In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid kunnen de zeehavengelden worden betaald binnen veertien dagen na de dag van aankomst van het zeeschip in de haven, onderscheidenlijk de dag waarop het verblijf in de haven wordt voortgezet, mits ten genoegen van de in artikel 231, tweede lid, onderdeel c van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar, zekerheid tot betaling van de zeehavengelden is gesteld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel