Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Toeslagen alleenstaande en alleenstaande ouders

Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Nuenen c.a. 2012 (2004)

1.. De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet kunnen delen van deze kosten met een ander. 2.. De toeslag bedoeld in het eerste lid bedraagt 20% voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. 3.. De toeslag bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning uitsluitend inwonende kinderen verblijven: 20% indien geen van deze kinderen een inkomen heeft gelijk aan of hoger dan de norm van een alleenstaande. 14%, indien tenminste één kind een inkomen heeft gelijk aan of hoger dan de norm van een alleenstaande. 4.. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 5%, indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder inwoont bij de ouder(s) of verblijft in een instelling van maatschappelijke opvang. 5.. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder op wie het tweede, derde en vierde lid niet van toepassing is: 14%, indien een zakelijke overeenkomst inzake het gebruik van de woning wordt aangetoond; 5%, indien geen zakelijke overeenkomst inzake het gebruik van de woning wordt aangetoond. 6.. ln afwijking van het bepaalde in het derde, vierde en vijfde lid, bedraagt de toeslag als bedoeld in het eerste lid 20% voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder die een in zijn woning verblijvende hulpbehoevende verpleegt of verzorgt, dan wel die zelf hulpbehoevend is.

Rechtspraak bij dit artikel