Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Afdeling 8.

Artikel 2:24

Exploitatievergunning horecabedrijf

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2009

1.. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.. De burgemeester weigert de vergunning indien: De vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan; de aanvrager, voor zover het een natuurlijke persoon betreft, of in het geval de aanvraag wordt gedaan door een rechtspersoon de bestuurder dan wel zijn gevolmachtigde daarvan, of de leidinggevende: geen verklaring omtrent gedrag overlegt die ten hoogste drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven; onder curatele staat dan wel uit het ouderlijk gezag of voogdij ontzet is; in enig opzicht van slecht levensgedrag is; de leeftijd van 21 jaren nog niet heeft bereikt indien het een openbare inrichting betreft waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht; de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt indien het een openbare inrichting betreft waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht; redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn. 3.. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. De burgemeester houdt daarbij rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie. 4.. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid of trekt deze geheel of gedeeltelijk in wanneer feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd of wanneer sprake is van: het benutten van voordelen uit strafbare feiten en het plegen van strafbare feiten. 5.. De burgemeester weigert een vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting, waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht, indien de houder van de openbare inrichting niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. 6.. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning door het bevoegde bestuursorgaan ingetrokken op grond van de in het tweede lid genoemde weigeringsgronden, met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid onder b1. 7.. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:5 beslist de burgemeester in geval van een vergunningenaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg voor het terras. 8.. Het bepaalde in het zevende lid geldt niet, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zeeland 1994. 9.. Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit en waarbij de openbare inrichting maximaal twintig vierkante meter mag bedragen en niet meer dan twintig procent van het vloeroppervlak van het voor publiek toegankelijke winkelgedeelte. 10.. Voor de openbare inrichting als bedoeld in het negende lid gelden dezelfde sluitingstijden als voor een winkel. 11.. Voorts geldt het eerste lid niet voor een openbare inrichting in een zorginstelling, museum, een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel