**1..** Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
vergunning van de burgemeester.
**2..** De burgemeester weigert de vergunning indien:
De vestiging of de exploitatie van de openbare
inrichting in strijd is met een geldend
bestemmingsplan;
de aanvrager, voor zover het een natuurlijke persoon
betreft, of in het geval de aanvraag wordt gedaan door
een rechtspersoon de bestuurder dan wel zijn
gevolmachtigde daarvan, of de leidinggevende:
geen verklaring omtrent gedrag overlegt die ten
hoogste drie maanden voor de datum waarop de
vergunningaanvraag is ingediend, is
afgegeven;
onder curatele staat dan wel uit het ouderlijk
gezag of voogdij ontzet is;
in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
de leeftijd van 21 jaren nog niet heeft bereikt
indien het een openbare inrichting betreft waarin
alcoholhoudende dranken worden verkocht;
de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt
indien het een openbare inrichting betreft waarin
geen alcoholhoudende dranken worden verkocht;
redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke
toestand niet met het in de aanvrage vermelde in
overeenstemming zal zijn.
**3..** Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de
vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn
oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in
de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze
nadelig wordt beïnvloed. De burgemeester houdt daarbij rekening
met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare
inrichting is of zal zijn gelegen, de aard van de openbare
inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse
reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de
exploitatie.
**4..** De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste
lid of trekt deze geheel of gedeeltelijk in wanneer feiten en
omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat
ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd
of wanneer sprake is van:
het benutten van voordelen uit strafbare feiten en
het plegen van strafbare feiten.
**5..** De burgemeester weigert een vergunning voor het exploiteren van
een openbare inrichting, waarin alcoholhoudende dranken worden
verkocht, indien de houder van de openbare inrichting niet in
het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de
Drank- en Horecawet.
**6..** Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning
door het bevoegde bestuursorgaan ingetrokken op grond van de in
het tweede lid genoemde weigeringsgronden, met uitzondering van
het bepaalde in het tweede lid onder b1.
**7..** In afwijking van het bepaalde in artikel 2:5 beslist de
burgemeester in geval van een vergunningenaanvraag die ook
betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting
behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over
de ingebruikneming van die weg voor het terras.
**8..** Het bepaalde in het zevende lid geldt niet, voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de
Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zeeland
1994.
**9..** Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting in een
winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor
zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit
en waarbij de openbare inrichting maximaal twintig vierkante
meter mag bedragen en niet meer dan twintig procent van het
vloeroppervlak van het voor publiek toegankelijke
winkelgedeelte.
**10..** Voor de openbare inrichting als bedoeld in het negende lid
gelden dezelfde sluitingstijden als voor een winkel.
**11..** Voorts geldt het eerste lid niet voor een openbare inrichting in
een zorginstelling, museum, een bedrijfskantine of
bedrijfsrestaurant.
Hoofdstuk 2. › Afdeling 8.
Artikel 2:24
Exploitatievergunning horecabedrijf
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2009