**1..** De norm voor gehuwden bij wie een ander zijn hoofdverblijf heeft of
die in de woning van een ander hun hoofdverblijf hebben
en die de algemene noodzakelijke kosten van
het bestaan kunnen delen, wordt verlaagd met de helft van het in
artikel 25, lid 2, van de wet genoemde maximumbedrag.
**2..** In afwijking van lid 1 vindt geen verlaging plaats indien de
algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet
kunnen worden gedeeld.
**3..** Van het niet kunnen delen van de algemeen noodzakelijk kosten is in
ieder geval sprake, indien de woning wordt bewoond met
uitsluitend:
een niet ten laste komend kind jonger dan 21 jaar, dat over
een inkomen beschikt dat niet hoger is dan het bedrag in
artikel 21, sub a, van de wet;
een ongehuwd kind dat aanspraak kan maken op
studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
2000 dan wel een tegemoetkoming op grond van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en over een
inkomen beschikt dat niet hoger is dan het bedrag in artikel
21, sub a, van de wet;
Onder “inkomen” wordt mede begrepen het inkomen dat in het
kader van de Wet studiefinanciering 2000 bij de vaststelling
van de hoogte van het toetsingsinkomen buiten beschouwing
wordt gelaten;
een bloedverwant in de eerste of tweede graad waarbij sprake
is van zorgbehoefte tussen één van deze bloedverwanten en
één van de gehuwden.
**4..** Bij drie of meer kostgangers en/of onderhuurders wordt de kostgever
of de (onder)verhuurder geacht een bedrijf te exploiteren en dient
voor bijstand een beroep te worden gedaan op het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004.
Hoofdstuk 4.
Artikel 5.
Niet alleenwonende gehuwden
Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012 - 2