Naar hoofdinhoud

Artikel 3

- Toeslagen alleenstaanden en alleenstaande ouders

Onderdeel van Toeslagen- en verlagingenverordening Publiekszaken 2012

De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 20 procent van de gezinsnorm voor de alleenstaande van 23 jaar en ouder en jonger dan 65 jaar en de alleenstaande ouder van 21 jaar en ouder en jonger dan 65 jaar in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 10,5 procent van de gezinsnorm voor de alleenstaande van 23 jaar en ouder en jonger dan 65 jaar en de alleenstaande ouder van 21 jaar en ouder en jonger dan 65 jaar in wiens woning één of meerdere anderen hun hoofdverblijf hebben; De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 10,5 procent van de gezinsnorm voor de alleenstaande van 22 jaar in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 1,0 procent van de gezinsnorm voor de alleenstaande van 22 jaar in wiens woning één of meerdere anderen hun hoofdverblijf hebben; De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 1,0 procent van de gezinsnorm voor de alleenstaande van 21 jaar in wiens woning al dan niet één of meerdere anderen hun hoofdverblijf hebben; Voor de toepassing van dit artikel wordt niet in aanmerking genomen de ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, een inkomen heeft lager dan de norm als bedoeld in artikel 20, eerste lid en onder b van de wet, verminderd met de vakantietoeslag, en naar beneden afgerond op een veelvoud van 25 euro; Voor de toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van het bestaan niet worden gedeeld met een inwonend studerend kind dat aanspraak maakt op studiefinanciering.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel