1. Het is verboden in door het college in het belang van de veiligheid op het water, ter bescherming van het milieu of ter voorkoming of opheffing van overlast aangewezen gebieden gebruik te maken van gemotoriseerde vaartuigen.
2.Het is verboden in de onder 1 aangewezen gebieden:
a. vaartuigen aan te leggen aan bomen of struiken;
b. op enigerlei wijze schade toe te brengen aan oevers en gewassen.
3. Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing op het door of namens de beheerders
verrichten van het noodzakelijke onderhoud aan watergangen of oevers.
4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor elektromotoren met een vermogen tot maximaal 1000 Watt.
5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
Hoofdstuk 5 › Afdeling 5
Artikel 5:17a