Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Afdeling 6

Artikel 4:21

Opslag van mest

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening gemeente Tytsjerksteradiel

1.. De opslag van mest moet zodanig geschieden dat geen mest(vocht) in of op de bodem of het oppervlaktewater terecht kan komen. 2.. Dunne mest moet worden opgeslagen in een doelmatige mestdichte opslagruimte (kelder). 3.. Vaste mest moet worden opgeslagen op een mestdichte betonnen ondergrond voorzien van opstaande randen en een mestdichte afvoer naar een mestdichte opslagruimte (kelder), of een gelijkwaardige voorziening. 4.. Van lid 3 mag worden afgeweken indien de opslag van vaste mest plaatsvindt: a.. boven een absorberende laag en een dikte van ten minste en een organische stofgehalte van ten minste 25 % (bijvoorbeeld stro of zaagsel) en b.. onder een permanente bovenafdekking, zodanig dat contact met hemelwater wordt voorkomen. 5.. De opslag van vaste mest mag niet onder het maaiveld zijn gelegen. 6.. Bij een opslag overeenkomstig lid 4 moet de absorberende laag tezamen met de mest worden verwijderd. 7.. Er mag niet meer dan vaste mest worden opgeslagen. 8.. De vaste mest moet ten minste 1 maal per jaar worden verwijderd. 9.. Verwijdering van de mest moet zodanig geschieden dat hierdoor geen hinder voor de omgeving dan wel verontreiniging van de bodem of oppervlaktewater ontstaat. Eventueel gemorste mest moet direct worden verwijderd. 10.. De opslag van vaste mest moet geschieden op een afstand van ten minste: a.. van een woning van derden of ander gevoelig object binnen de bebouwde kom; b.. van een woning van derden of ander gevoelig object buiten de bebouwde kom; c.. van de erfgrens; d.. 5 meter van de insteek van een oppervlaktewater.

Rechtspraak bij dit artikel