De eigenaar of houder van een hond, paard en pony is
verplicht ervoor te zorgen dat dit dier zich niet van
uitwerpselen ontdoet:
op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd
voor het verkeer van voetgangers;
op een voor het publiek toegankelijke kinderspeelplaats,
zandbak, speelveld of grasstrook;
op een andere door het college aangewezen plaats.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van
toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste
lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of
houder van de hond, paard of pony er zorg voor draagt dat de
uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
Indien het college een hond in verband met
zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het
de eigenaar of houder van die hond een
aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op
een openbare plaats of op het terrein van een
ander.
Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of
houder verplicht is de hond aangelijnd te houden
met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot
halsband, van ten hoogste .
Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of
houder verplicht is de hond voorzien te houden van
een muilkorf die:
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig
leer of van beide stoffen;
door middel van een stevige leren riem zodanig rond
de hals is aangebracht dat verwijdering zonder
toedoen van de mens niet mogelijk is; en
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten,
dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe
opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen
binnen de korf aanwezig zijn.
4.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste
lid onder e, dient een hond als bedoeld in het
eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde
minister op aanvraag verstrekt uniek
identificatienummer door middel van een microchip
die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke
dieren
1.Het is verboden op door het college ter voorkoming
of opheffing van overlast of schade aan de openbare
gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een
inrichting in de zin van de Wet
milieubeheer bij dat
aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
aanwezig te hebben;
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van
de door het college in het aanwijzingsbesluit
gestelde regels;
aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die
aanwijzing is aangegeven; of
te voeren.
Het college kan de rechthebbende op een
onroerende zaak gelegen binnen plaats die een
krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing
verlenen van een of meer verboden bedoeld in het
eerste lid.
Op de ontheffing is paragraaf
4.1.3.3 van de Algemene wet
bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
toepassing.
De ontheffing is persoonsgebonden.
Artikel 2:61 Wilde dieren (vervallen)
Artikel 2:62 Loslopend vee en pluimvee
De rechthebbende op vee of pluimvee dat zich bevindt
in een aan een weg liggend weiland of terrein dat
niet van die weg is afgescheiden door een
deugdelijke (pluim)veekering, is verplicht ervoor te
zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat
dit vee die weg niet kan bereiken.
Het is verboden vee zonder voldoende toezicht op of
aan een weg te hebben of te doen verblijven of
zonder voldoende begeleiding over de weg te
vervoeren of te verweiden.
(Pluim)vee, dat onbeheerd wordt aangetroffen kan
worden overgebracht naar een door het college te
bepalen plaats en aldaar worden bewaard op kosten
van de eigenaar.
Indien in bewaring gesteld (pluim)vee, als bedoeld
in het derde lid, niet binnen een termijn van een
week, gerekend vanaf de dag van inbewaringstelling,
door de eigenaar is opgevorderd, brengt het college
deze bewaring door publicatie in een of meer
plaatselijk verschijnende nieuwsbladen ter openbare
kennis.
Indien de eigenaar het (pluim)vee niet binnen een
week na de in het vierde lid bedoelde publicatie
heeft gevorderd, wordt dit in het openbaar verkocht.
Na aftrek van de kosten van bewaring en publicatie
wordt de opbrengst gedurende de wettelijke termijn
van verjaring ter beschikking van de eigenaar
gehouden.
In afwijking van het bepaalde in het vierde en
vijfde lid zijn burgemeester en wethouders na het
verstrijken van de termijn, als bedoeld in het
vierde lid, eveneens gerechtigd over te gaan tot
openbare verkoop van het (pluim)vee als
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de waarde
van het vee ontoereikend is om hieruit de kosten van
bewaring en publicatie te voldoen.
Artikel 2:63 Duiven
Het is de rechthebbende op duiven verboden deze te laten
uitvliegen, indien het college hem schriftelijk heeft
meegedeeld, dat zij dit in verband met de plaats waar de
duiven worden gehouden hinderlijk voor de omgeving
achten.
Artikel 2:64 Bijen
Het is verboden bijen te houden:
binnen een afstand van 30 meter van woningen
of andere gebouwen waar overdag mensen
verblijven;
binnen een afstand van 30 meter van de
weg.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet
indien op een afstand van ten hoogste zes meter
vanaf de korven of kasten een afscheiding is
aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger
als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen
van de bijen te voorkomen.
Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde
verbod geldt niet voorzover de bijenhouder
rechthebbende is op de woningen of gebouwen als
bedoeld in dat lid.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde
verbod ontheffing verlenen.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3
van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
beslissen) niet van toepassing.
De ontheffing is persoonsgebonden.
Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover
het Provinciaal wegenreglement Fryslân van
toepassing is.
Artikel 2:65 Bedelarij (vervallen)
Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding
van heling van goederen
Artikel 2:66 Begripsbepalingen (vervallen)
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
verkoopregister (vervallen)
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel
437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht
(vervallen)
Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen
goederen (vervallen)
Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven
(vervallen)
Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op
horecabedrijven) onder artikel 2:32.
Afdeling 13
Vuurwerk
Artikel 2:71 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder vuurwerk: vuurwerk
waarop het Vuurwerkbesluit
van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking
tot consumenten- en professioneel vuurwerk, van toepassing
is.
Artikel 2:72 Afleveren van vuurwerk
(vervallen)
Artikel 2:73 Gebruik van vuurwerk
(vervallen)
Artikel 2:73a Gebruik van carbid
Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een
melkbus of soortgelijke constructie qua aard en
omvang, op explosieve wijze verbranden van
acetyleengas afkomstig van een reactie tussen
calciumacetylide (carbid) en water.
Het is verboden zonder ontheffing van de
burgemeester carbid te schieten.
De burgemeester kan van het verbod ontheffing
verlenen indien:
er gebruik wordt gemaakt van melkbussen en/of
gelijksoortige voorwerpen met een maximale inhoud
van , met gebruikmaking van acetyleengas afkomstig
van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en
water of gasmengsels met vergelijkbare
eigenschappen, en
het carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen
10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop
volgende jaar, en
hiervan tenminste 14 dagen voorafgaand aan de datum
van gebruik ontheffing is gevraagd aan de
burgemeester, en
de aanvraag is vergezeld van een schriftelijke
toestemming van de eigenaar van het terrein van
waaraf geschoten wordt, en
de aanvraag tevens is voorzien van een kaart waarop
de betreffende locatie is ingetekend en waarop de
schootsrichting is aangegeven, en
de plaats vanwaar geschoten wordt, op een afstand
van tenminste van woonbebouwing en op een afstand
van tenminste van onderkomens van dieren gelegen is,
en
er geen handelingen worden verricht of nagelaten
waarvan degene die het carbidschieten verricht weet
of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daar
gevaren kunnen optreden voor mens, dier en
milieu.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3
van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
beslissen) niet van toepassing.
De ontheffing is persoonsgebonden.
Dit artikel is niet van toepassing voor zover de Wet
Milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet
milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer
gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht
van toepassing is.
Afdeling 14
Drugsoverlast
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op
of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te
bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te
bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het
kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3
van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet
tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven,
daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke
plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als
bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te
dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te treffen of ten behoeve
van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.
HOOFDSTUK 2 › Afdeling
Artikel 2:58
Verontreiniging door honden, paarden en pony’s
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening gemeente Tytsjerksteradiel