Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Algemene begripsbepaling

Onderdeel van Verordening kleinschalig kamperen Vlissingen

In deze verordening wordt verstaan onder: 1. Een terrein voor kleinschalig kamperen: Een terrein of plaats, ingericht om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van maximaal 25 kampeermiddelen ten behoeve van recreatief verblijf gedurende het kampeerseizoen. 2. Een standplaats: Het gedeelte van een kampeerterrein aangewezen en ingericht voor recreatief verblijf gedurende het kampeerseizoen in één of meerdere kampeermiddelen, niet zijnde een stacaravan; nader te onderscheiden in één kampeermiddel met maximaal twee bijzettentjes van elk maximaal zes vierkante meter. 3. Een kampeermiddel: Een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor ingevolge artikel 40 van de woningwet een bouwvergunning vereist is; één en ander onder het beding dat deze onderkomens blijvend zijn bestemd, opgericht en ingericht en worden gebruikt voor recreatief verblijf door personen die hun hoofdverblijf elders hebben. 4. Een stacaravan: Een kampeermiddel uit één niet samengesteld geheel, dat in zijn geheel (over de weg) vervoerd kan worden met een maximaal oppervlak van 45 vierkante meter en een maximale hoogte van 3,50 meter. 5. Een landschapscamping: Een terrein bij een agrarisch bedrijf waarvan een deel van de landbouwgrond wordt omgezet in nieuwe natuur en camping, maar één geheel blijft vormen met het agrarisch bedrijf; waarbij het terrein is ingericht om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van maximaal 60 kampeermiddelen ten behoeve van recreatief verblijf gedurende het kampeerseizoen. 6. Het kampeerseizoen: De jaarlijkse periode van 1 maart tot en met 15 november. 7. Het college: Het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen.

Rechtspraak bij dit artikel