Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor het recht op een inkomensvoorziening
Indien het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 44 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een inkomensvoorziening, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.
Onverminderd het gestelde in artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld: a. bij een benadelingsbedrag tot € 1000,--:10%van de voor de jongere van toepassing zijnde WIJ-norm gedurende een maand; b. bij een benadelingsbedrag van € 1000,-- tot € 2000,--: 20% van de voor de jongere van toepassing zijnde WIJ-norm gedurende een maand; c. bij een benadelingsbedrag van € 2000,-- tot € 4000,--: 40% van de voor de jongere van toepassing zijnde WIJ-norm gedurende een maand; d. bij een benadelingsbedrag van € 4000,-- of meer: 100% van de voor de jongere van toepassing zijnde WIJ-norm gedurende een maand.
Indien er sprake is van het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 44 van de wet, maar het ten onrechte verstrekte bedrag uitsluitend het gevolg is van door het college gehanteerde stelsel van betaalbaarstelling van de inkomensvoorziening wordt een maatregel opgelegd overeenkomstig het tweede lid.
De maatregel wordt niet opgelegd zolang het Openbaar Ministerie een aangifte ter zake van een strafbaar feit onderzoekt, verband houdende met het niet nakomen van de verplichting van artikel 44 van de wet door de jongere.
De maatregel blijft definitief achterwege als ter zake van de aangifte tegen de jongere een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
De duur van de maatregel, als bedoeld in het tweede lid, wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid. Artikel 9, derde lid, is overeenkomstig van toepassing.