Naar hoofdinhoud
Gedeputeerde staten beoordelen steeds per voorgenomen opdrachtverstrekking en met inachtneming van het gestelde in artikelen 7 en 8 of er, gelet op de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in de artikelen 4 en 5, kan worden gegund of dat de betrokkene moet worden uitgesloten. Zij nemen daarbij in ieder geval de volgende aspecten in overweging: de maatregelen die een betrokkene heeft genomen om herhaling van de schending van de beroepsmoraliteit of herhaling van de ernstige beroepsfout te voorkomen; het aantal en de zwaarte van de schending van de beroepsmoraliteit of ernstige fout in de beroepsuitoefening voorafgaand aan de aanbesteding; de sinds de laatste ernstige fout in de beroepsuitoefening of schending van de beroepsmoraliteit verstreken tijd; de omvang van de opdracht; de hoogte van het behaalde of te behalen voordeel; de opgelegde straf; de mate van betrokkenheid van de leidinggevenden binnen het bedrijf van de betrokkene; de economische en maatschappelijke gevolgen van een afwijzend besluit; de financiële gevolgen voor betrokkene; de vereiste continuïteit van de met de overheidsopdracht gemoeide werkzaamheden; de aanwezigheid van een subsidiair middel; de afwezigheid van een alternatief; de mate waarin de betrokkene preventieve maatregelen heeft genomen.

Rechtspraak bij dit artikel