Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een vermoeden, als bedoeld in artikel 2, derde lid, worden in ieder geval de volgende indicatoren gehanteerd:
de bedrijfsstructuur of de activiteiten in de onderneming of in de directe omgeving daarvan;
de financiering en de financiële situatie van het bedrijf;
de omstandigheden ten aanzien van de persoon van de aanvrager, de financier van de onderneming, de eigenaar van het pand of de inrichting waarin de onderneming is gevestigd, dan wel van andere betrokkenen;
overige omstandigheden die gedeputeerde staten doen vermoeden dat er sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunning of de overheidsopdracht in de zin van de wet zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten of het gebruiken van voordelen uit strafbare feiten;
overige omstandigheden die gedeputeerde staten doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel de gegeven vergunning, dan wel van de te aanbesteden of verleende overheidsopdracht een strafbaar feit is gepleegd.