Als een delict dat de beroepsmoraliteit, respectievelijk de professionele integriteit van de betrokkene in het gedrang brengt als bedoeld in artikel 45, derde lid, sub c, van het BAO wordt in ieder geval aangemerkt een van onderstaande delicten waarvoor betrokkene bij een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is geweest:
omkoping als bedoeld in de artikelen 177, 177a en 178 Sr
valsheid in geschrifte als bedoeld in de artikelen 225, 226, 227 en 227a Sr
schending van geheimen als bedoeld in de artikelen 272 en 273 Sr
afpersing als bedoeld in de artikelen 317 en 318 Sr
verduistering als bedoeld in de artikelen 321, 322 en 323a Sr
oplichting als bedoeld in artikel 326 Sr
omkoping van anderen dan ambtenaren als bedoeld in 328ter Sr
bedrog bij bouw als bedoeld in artikel 331 Sr
Paragraaf
Artikel 8.