De belasting wordt geheven:
Van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot
heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een
perceel dat direct of indirect is aangesloten op de
gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel;
en
Van de gebruiker van een perceel van waaruit direct of
indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd,
verder te noemen: gebruikersdeel.
Met betrekking tot het eigenarendeel van de belastingen wordt,
ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende
krachtens eigendom, bezit of beperkt rechtaangemerkt degene die bij
het begin van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale
registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen
genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Met betrekking tot het gebruikersdeel van de belastingen wordt als
gebruiker aangemerkt:
Degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al
dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of
persoonlijk recht gebruikt;
Ingeval een gedeelte van een perceel – niet een gedeelte als
bedoeld in artikel 4 – voor gebruik is afgestaan: degene die
dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan.
Artikel 3.
Belastbaar feit en belastingplicht.
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2010