1. Onverlet het bepaalde in artikel 36 WWB komt in aanmerking voor de langdurigheidstoeslag de belanghebbende die gedurende een onafgebroken periode van 36 maanden aangewezen is geweest op een inkomen dat niet hoger is dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 WWB.
2. Geen recht op langdurigheidstoeslag heeft de belanghebbende die een opleiding of studie als bedoeld in de WTOS dan wel WSF 2000 volgt.
3. Geen recht op langdurigheidstoeslag heeft de belanghebbende aan wie
- in de periode van twaalf maanden voor de peildatum een maatregel is opgelegd op grond van artikel 18 lid 2 WWB of artikel 20 lid 1 en 2 IOAW, dan wel artikel 20 lid 1 en 2 IOAZ en de daar genoemde verordeningen voor een gedraging waarvoor een maatregel van 20% of hoger kan worden opgelegd wegens het niet of in onvoldoende mate nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 9 lid 1 WWB, artikel 37 IOAW, dan wel artikel 37 IOAZ.
- en in een periode van vierentwintig maanden voorafgaand aan deze maatregel eenzelfde of hogere maatregel is opgelegd wegens het niet of in onvoldoende mate nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 9 lid 1 WWB, artikel 37 IOAW, dan wel artikel 37 IOAZ.
4. Indien één van de gezinsleden is uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13 lid 1 WWB, waardoor slechts één van de gezinsleden recht op langdurigheidstoeslag heeft, komt dit gezinslid in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.