Verlagen norm gezin
De verlaging zoals bedoeld in artikel 26 WWB bedraagt 10 procent van
de gezinsnorm voor het gezin die met één of meer anderen hoofdverblijf in
dezelfde woning heeft.
Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van het
bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld met:
a.Studerende thuisinwonende kinderen van 18 jaar en ouder met een
inkomen, niet hoger dan de norm uitwonende kinderen hoger
onderwijs zoals genoemd in artikel 3.18 WSF 2000.
b.Overige thuiswonende kinderen van 18 jaar ouder met een inkomen,
niet hoger dan de norm voor thuiswonende kinderen hoger onderwijs
zoals genoemd in artikel 3.18 WSF 2000.
3.De verlaging van de gezinsuitkering zoals bedoeld in artikel 21 van de wet
3. bedraagt 20 procent van die gezinsnorm indien een woning wordt bewoond
3. waaraan voor het gezin geen woonkosten zijn verbonden.