Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Afdeling 5.

Artikel 2.12

Maken, veranderen van een uitweg

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening

1.. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg indien: degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; er op het perceel al een uitweg naar een weg aanwezig is; de uitweg een breedte van 4 meter overschrijdt; de bestrating van de uitweg niet is aangepast aan de bestrating van de openbare weg; het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2.. Het college kan een ontheffing van de verboden onder lid 1, sub b. en c. verlenen indien dit noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering van de aanvrager. 3.. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg indien: daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; 4.. De eerste uitweg met een maximale breedte van 4 meter kan worden aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 5.. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement Drenthe. 6.. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Rechtspraak bij dit artikel