Eerste lid
De toepasselijke wetten WWB, IOAW en IOAZ verbinden aan het recht op uitkering de volgende verplichtingen:
Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). In de WWB kan de bijstand verlaagd worden als er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. In de IOAW en de IOAZ ontbreekt dat. Daarom kan er op die grond geen verlaging of weigering van IOAW of IOAZ uitkering plaatsvinden.
De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB en artikel 37 IOAW of IOAZ). Deze plicht bestaat uit verschillende soorten verplichtingen, zoals:
de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden, en na te laten wat de arbeidsinschakeling belemmert;
de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zijn nader uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de uitkeringsgerechtigde. De vastgestelde re-integratieverordening, vormt de juridische basis voor het opleggen van de specifieke verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen worden in het toekenningsbesluit opgenomen.
De inlichtingenplicht (artikel 17, eerste lid WWB, artikel 38 tweede lid van het Bbz, en artikel 13, eerste lid IOAW of IOAZ). Op een uitkeringsgerechtigde rust de verplichting om aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op uitkering, zoals de plicht om de voor de verlening van uitkering van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken tijdig en volledig te verstrekken of anderszins voldoende medewerking te verlenen.
De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid WWB, artikel 38 tweede lid van het Bbz, en artikel 13, tweede lid IOAW of IOAZ). Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals:
het toestaan van een huisbezoek (in overeenstemming en met inachtneming van de wettelijke regels rond huisbezoeken en het vastgestelde Protocol Huisbezoeken);
het meewerken aan een medische keuring of psychologisch onderzoek;
artikel 18, tweede lid WWB, artikel 20 tweede lid IOAW of artikel 20 eerste lid IOAZ noemt een gedraging die in ieder geval een schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich tegenover het college zeer ernstig misdragen’;
De Wet SUWI (Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen) legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan het UWV te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college (artikel 30c Wet SUWI) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan het UWV, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht daarop of de hoogte of de duur van de uitkering.
Tweede lid
In deze Afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een vaste (procentuele) verlaging van de uitkering.
In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een verlaging af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.
Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een verlaging moet worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:
stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging;
stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid;
stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.
De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de categorie-aanduiding (artikel 7 van de verordening) en het standaardpercentage (artikel 8 van de verordening) waarmee de uitkering wordt
verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 4. Matiging wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:
een bijzondere financiële positie van de belanghebbende, zoals hoge woonlasten of andere vaste lasten of (extra of incidentele) uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is, of (omvangrijke) problematische schulden;
sociale en/of gezinsomstandigheden;
bij een opeenstapeling van verlagingen: de zwaarte van het geheel is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.
Besluit tot afstemming
Het verlagen van de uitkering vindt plaats door middel van een besluit. In het besluit worden in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee de bijstand of grondslag wordt verlaagd, het bedrag waarmee de bijstand of grondslag wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardverlaging.
Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan vooral het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en ook van een deugdelijke motivering wordt voorzien.
Hoofdstuk
Artikel 2.
Het verlagen van de uitkering
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Oss 2012A