Eerste lid
De Afstemmingsverordening kent het volgende regime: tien, twintig, veertig en honderd procent verlaging van de uitkering. Dit betekent een voelbare maatregel voor de belanghebbende. De keuze voor dit regime heeft te maken met het hoofduitgangspunt dat alles gericht moet zijn op werk en op ieders verantwoordelijkheid daarvoor.
Tweede en derde lid
Indien binnen 12 maanden na een eerste verwijtbare gedraging er opnieuw sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte van de verlaging. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een verlaging. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt de verzenddatum van het besluit waarbij de verlaging is toegepast.
Omdat een verlaging van honderd procent niet kan worden verdubbeld is er bij een tweede gedraging van de vierde categorie gekozen voor verdubbeling van de duur van de verlaging. Dus in dat geval vindt er uitsluiting plaats gedurende twee maanden.
De verlagingspercentages bij samenloop met verplichtingen op grond van de Wet inburgering
zijn hetzelfde als de regels over de bestuurlijke boete in de vastgestelde Verordening Wet inburgering.
In de WI zijn in artikel 34 maximum bedragen opgenomen voor het opleggen van boetes bij verwijtbare gedragingen, waarmee in het kader van uitvoering van deze verordening rekening dient te worden gehouden. Het maximumbedrag van de verlaging kan bij overtredingen van uitkeringsgerechtigden in combinatie met de Wet inburgering, daarom niet hoger zijn € 250,- in de eerste categorie, en € 500,- in de derde categorie (meewerken aan de vastgestelde inburgeringsvoorziening en het behalen van het inburgeringsexamen binnen drieënhalf jaar), in overeenstemming met artikel 34 WI. In de praktijk hoeft hiermee, gezien de hoogte van de uitkering of grondslag, alleen rekening te worden gehouden bij gehuwden/samenwonenden.
Vierde lid
Bij het onverantwoord interen van vermogen is er voor gekozen de verlaging vast te stellen op 20% voor de duur van de periode dat eerder een beroep gedaan wordt op bijstand. Bij deze beoordeling wordt onder verantwoorde besteding verstaan 1 ½ maal de toepasselijke bijstandsnorm per maand. Ook hier geldt dat de verlaging afgestemd wordt op de ernst van de gedraging, de verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende.
Vijfde lid
In het vijfde lid wordt bepaald dat het college kan volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Het besluit om te volstaan met een schriftelijke waarschuwing wordt niet aangemerkt als recidive in de zin van het tweede lid van dit artikel.
Ook is hierin nogmaals benadrukt dat een verlaging toegepast kan worden met een afwijkend(e) periode of percentage als daar in individuele omstandigheden aanleiding toe bestaat.
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan o.a.:
verlenging van de duur van de verlaging bij volharding. Van volharding is in beginsel sprake bij een derde en volgende gedraging van een gelijke of hogere categorie, binnen twaalf maanden na de laatste verwijtbare gedraging;
het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht, als dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen van uitkering hoger dan € 2000,- ;
eerder of langer recht hebben op een WWB uitkering, als gevolg van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, zoals onverantwoorde intering van vermogen;
verlenging van de duur van de verlaging naar twee maanden indien de uitkeringsgerechtigde die ook inburgeringsplichtig is, niet binnen de door het college op grond van artikel 32 of 33 van de WI verlengde termijn (van telkens ten hoogste twee jaren) het inburgeringsexamen heeft behaald, in overeenstemming met de regels over de bestuurlijke boete in de Verordening Wet inburgering.
Hoofdstuk
Artikel 8.
Hoogte en duur van de verlaging
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Oss 2012A