Er wordt een subsidieplafond vastgesteld.
Aanvragen worden behandeld volgens een tendersysteem.
Er zijn jaarlijks vier subsidieperiodes. In periodes 1 en 3 wordt per periode maximaal 20% van het subsidieplafond verleend. In periodes 2 en 4 wordt per periode maximaal 30% van het subsidieplafond verleend.
Genoemde percentages in lid 3 van dit artikel worden evenredig verhoogd in het geval dat lid 6 van dit artikel wordt toegepast.
De volgende periodes worden gehanteerd:
Periode 1: 1 januari t/m 31 maart;
Periode 2: 1 april t/m 30 juni;
Periode 3: 1 juli t/m 30 september;
Periode 4: 1 oktober t/m 31 december.
Als in een jaar het budget van een periode, met uitsluiting van periode 4, op de eerste dag van de volgende periode nog niet is verbruikt, wordt het restant van het budget gevoegd bij het budget voor de volgende periode.