De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen stelt een onderzoeksrapport op over de bodem. Het onderzoeksrapport bevat de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd volgens NEN 5740 in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.
Als er een vermoeden is dat asbest in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de manier beschreven in NEN 5707.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. De hoogtebepalingen blijven hierbij buiten toepassing.
Het bevoegd gezag kan afwijken van het eerste en tweede lid toestaan als:
uit de bodemkwaliteitskaart en historisch onderzoek blijkt dat het niet aannemelijk is dat de bodem verontreinigd is;
de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk van tijdelijke aard en de vermoedens over de staat van de bodem het volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen een onderzoeksrapport op te stellen;
Wanneer het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, vindt het bodemonderzoek plaats na de sloop en voordat met de bouw wordt begonnen.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 1
Artikel 2.1.5
Bodemonderzoek
Onderdeel van Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Ede houdende regels omtrent bouwen (Bouwverordening)