Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel
11, tweede lid, een beslissing op de aanvraag.
De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:
er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;
de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
vaststaat;
naar het oordeel van het college voldoende zekerheid bestaat
dat de voorziening in het gewenste jaar van uitvoering voor
bekostiging in aanmerking kan worden gebracht.
Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking
tot welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden
bekostigd. Het bedrag kan in termijnen aan de aanvrager
beschikbaar worden gesteld, echter steeds op een zodanig
tijdstip dat de aanvrager aan zijn financiële verplichtingen
jegens derden die hij heeft ingeschakeld bij de
bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college
maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling
van het bedrag. Bij de bepaling van het bedrag en de
beschikbaarstelling in termijnen kunnen de desbetreffende
bepalingen van de in artikel 25, eerste lid, genoemde DNR
2005, als uitgangspunt worden genomen.
Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door
de aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de
plaatsing van de voorziening op enig toekomstig
programma.
Het bedrag dat gemoeid is met de bekostiging van
bouwvoorbereiding wordt in mindering gebracht op het bedrag
dat gemoeid is met de bekostiging van de desbetreffende
voorziening.
HOOFDSTUK 1 › Paragraaf 4
Artikel 27
Beschikking op aanvraag
Onderdeel van Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Rotterdam 2012