**1..** Bij de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel worden de door burgemeester en wethouders verlangde gegevens overgelegd.
**2..** Indien niet wordt voldaan aan het gesteld in het eerste lid, alsmede aan de eisen die gelden ingevolge de artikelen 4: 1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht, stellen burgemeester en wethouders de aanvragen in de gelegenheid om binnen twee weken de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.
**3..** Indien de aanvraag in behandeling wordt genomen, brengen Burgemeester en wethouders de aanvraag terstond ter kennis van de monumentencommissie.
**4..** Binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag brengt de monumentencommissie haar advies uit aan burgemeester en wethouders.
**5..** Op de voorbereiding van een besluit om vergunning als bedoeld in artikel 5 is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
**6..** Burgemeester en wethouders geven binnen 10 weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie, doch in ieder geval binnen 18 weken na het tijdstip waarop de aanvraag ontvankelijk is gebleken, een beschikking op de aanvraag om vergunning.
**7..** Burgemeester en wethouders kunnen, indien het een zeer ingewikkeld of omstreden besluit betreft, de in het zesde lid bedoelde termijn metten hoogste 8 weken verlengen, mits zij de aanvrager daarvan kennis geven binnen de in het zesde lid genoemde termijn.
**8..** Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het zesde lid wordt de vergunning geacht te zijn verleend.
**9..** Burgemeester en wethouders zenden onmiddellijk een afschrift van hun beschikking aan de monumentencommissie en aan degenen die hun zienswijzen naar voren hebben gebracht.
**10..** Een vergunning ingevolge deze verordening blijft buiten werking gedurende zes weken na de datum waarop zij is verleend dan wel van rechtswege is verleend. Indien gedurende deze termijn bezwaar wordt gemaakt ingevolge de Algemene wet bestuursrecht, blijft de vergunning buiten werking totdat op dat bezwaar en een eventueel ingesteld beroep en hoger beroep is beslist. Belanghebbenden , onder wie de vergunninghouder, kunnen de president van de rechtbank, onderscheidenlijk de voorzitter van de Afdeling bestuursrecht spraak van de Raad van State verzoeken de opschorting op te heffen. Titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.