In deze afdeling wordt verstaan onder:
a.
voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a l, van het reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen. Aanhangwagens en scootmobielen vallen uitdrukkelijk onder de begripsbepaling voertuigen.
b.
parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990);
c.
belanghebbendenplaats: de door het college aan belanghebbenden aangewezen gelegenheid tot het parkeren van voertuigen, die
1.
is aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV 1990, dan wel
2.
is gelegen binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV 1990 met het opschrift zone, voorzover deze plaats niet is uitgezonderd;
d.
belanghebbendenvergunning: een door het college op grond van deze verordening verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een voertuig te parkeren op daartoe door het college aangewezen belanghebbendenplaatsen;
e.
parkeervergunning: een door het college verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een voertuig te parkeren op daartoe door het college aangewezen parkeerplaatsen zonder de parkeerapparatuur in werking te stellen;
f.
bezoekersvergunning: een door het college verleende vergunning aan belanghebbendenvergunninghouders, met het uitsluitende doel deze vergunning aan te wenden voor bezoekers van belanghebbenden op belanghebbendenplaatsen;
g.
autodate: het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik maken van motorvoertuigen op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een aanbieder of tussen natuurlijke personen uit meer dan één huishouden.
Hoofdstuk 5. › Afdeling 1.
Artikel 5:1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening (Zaanstad, APV)