De toeslag zoals bedoeld in artikel 25 eerste lid van de wet bedraagt:
20% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;
10% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande of alleenstaande ouder, in wiens woning een ander persoon zijn hoofdverblijf heeft;
5% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande of alleenstaande ouder, in wiens woning twee of meerdere personen hun hoofdverblijf hebben.
Voor de van toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft:
minderjarige niet ten laste komende kinderen;
kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 21 jaar met een inkomen van ten hoogste de norm bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, van de wet vermeerderd met 10% van de gehuwdennorm. Hieraan worden gelijkgesteld pleegkinderen die voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar zijn geplaatst op grond van de Wet op de jeugdhulpverlening;
kinderen van 21 jaar of ouder voor zover zij studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000 en hun verdere inkomsten waarbij de verdere inkomsten ten hoogste 10% van de gehuwdennorm bedragen;
kinderen van 21 jaar of ouder met aanspraak op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) en hun verdere inkomsten waarbij de verdere inkomsten ten hoogste 10% van de gehuwdennorm bedragen;
een zorgbehoevende tenzij er sprake is van een gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3 van de wet.
Paragraaf
Artikel 3.
Verhoging alleenstaanden en alleenstaande ouders
Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen algemene bijstand 2012 gemeente Pijnacker-Nootdorp