In deze afdeling wordt verstaan onder:
boom: een houtig opgaand gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 15 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam.
houtopstand: één of meer bomen mogelijk onderdeel uitmakend van een boomzone of boomstructuur.
boomzone: begrensd gebied met houtopstanden die tezamen een functioneel geheel vormen.
boomstructuur: lijnvormige beplanting van houtopstanden dat een functioneel geheel vormt
bomencatalogus: een door het college vast te stellen catalogus van bomen op particulieren gronden, die op basis van een inventarisatie en beschrijving als waardevol of monumentaal worden beoordeeld;
vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de boom ten gevolge kunnen.
Hoofdstuk 4. › Afdeling 3.
Artikel 4:10
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening