Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2012

Alleenstaanden en alleenstaande ouders die alleen een woning bewonen hebben op grond van artikel 30, lid 2, onder a, van de Wet werk en bijstand recht op de maximale toeslag. Ingeval in de woning naaste de alleenstaande of alleenstaande ouder een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Hieronder wordt onder andere verstaan: huur, gas, water, elektra, duurzame gebruiksgoederen etc. Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf. Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats. In de toeslagen verordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval één of meer anderen in dezelfde woning het hoofdverblijf hebben. In het derde lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in de norm begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren waardoor het niet aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het huishouden, niet meetellen als personen die in de woning hun hoofdverblijf hebben. Bij kinderen met een in aanmerking te laten inkomen lager of gelijk aan het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000, is niet aannemelijk dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het huishouden (artikel 25 lid 1 WWB). Per 1 januari 2012 is de hoogte van het normbedrag € 604,15 per maand. In het vierde lid wordt een toeslag van 10% van de gehuwdennorm verstrekt aan belanghebbenden die hun hoofdverblijf hebben in een onzelfstandige woning waarvoor geen huurtoeslag kan worden ontvangen gelet op artikel 11 van de Wet op de huurtoeslag. Hierbij dient bijvoorbeeld te worden gedacht aan kamerbewoners. Kamerbewoners hebben over het algemeen geen eigen voordeur, eigen keuken, eigen toilet en eigen wasruimte, maar delen deze met één of meer andere (kamer)bewoners. Daardoor kunnen de noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld worden. Hieronder wordt verstaan: huur, gas, water, elektra, duurzame gebruiksgoederen etc. Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel