**1..** De raad stelt een lid van de rekenkamercommissie op non-activiteit
indien:
hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij
zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die
vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
hij onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, surseance van betaling heeft verkregen of wegens
schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk
geworden rechterlijke uitspraak.
**2..** De raad kan een lid van de rekenkamercommissie op non-activiteit
stellen, indien tegen hem een gerechtelijk onderzoek ter zake van
een misdrijf wordt ingesteld of indien er een ander ernstig
vermoeden is van het bestaan van feiten en omstandigheden die tot
ontslag, anders dan op de gronden vermeld in artikel 5, eerste lid,
onder a. en tweede lid, zouden kunnen leiden.
**3..** De raad beëindigt de non-activiteit zodra de grond voor de maatregel
is vervallen, met dien verstande dat in een geval als bedoeld in het
tweede lid de non-activiteit in ieder geval eindigt na zes maanden.
In dat geval kan de raad de maatregel telkens voor ten hoogste drie
maanden verlengen.