Meningsvormende vergaderingen hebben als doel het beraadslagen
door de commissieleden over mogelijke standpunten ten aanzien
van aan de orde zijnde onderwerpen.
In beginsel nemen het college en de burgemeester geen deel aan
de in het eerste lid bedoelde beraadslagingen bij onderwerpen,
welke in een beeldvormende commissievergadering aan de orde zijn
geweest. Het college en de burgemeester kunnen aan de in het
eerste lid bedoelde beraadslagingen deelnemen indien het
voorstel of onderwerp van het college afkomstig is en niet in
een beeldvormende commissievergadering aan de orde is geweest.
Op uitnodiging van de voorzitter kan het college of de
burgemeester ook aan andere beraadslagingen deelnemen.
Burgers en belanghebbenden hebben in meningsvormende
vergaderingen in beginsel geen spreekrecht, tenzij de voorzitter
hen het recht op spreekrecht, overeenkomstig artikel 20,
verleent. Daarnaast kunnen burgers en belanghebbenden aan de
beraadslagingen deelnemen indien de raadscommissie dat op grond
van artikel 10 lid 2 toestaat.
Meningsvormende vergaderingen worden door de voorzitter
afgesloten met een formulering van een advies aan de raad, dat
kan luiden:
het aan de orde zijnde onderwerp is voldoende besproken
en rijp voor besluitvorming in de raad (sterstuk);
het aan de orde zijnde onderwerp is voldoende besproken
en rijp voor besluitvorming in de raad, doch vereist nog
debat in de raadsvergadering;
het aan de orde zijnde onderwerp is nog onvoldoende
besproken en moet al dan niet na verdere uitwerking of
voorbereiding door het college in een volgende
meningsvormende vergadering opnieuw aan de orde
komen.
De commissie brengt dit advies schriftelijk uit aan de
raad, welke wordt meegestuurd met destukken voor de
raadsvergadering, waarin het onderwerp van advies zal
worden behandeld.
Hoofdstuk 2
Artikel 5
Meningsvormende vergaderingen
Onderdeel van Verordening voor de raadscommissies