Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 1

Artikel 7

Voorschriften

Onderdeel van Bomenverordening 1996

1.. Aan een vergunning kan het voorschrift worden verbonden dat van de vergunning geen gebruik mag worden gemaakt dan nadat zes weken na de bekendmaking van de vergunning zijn verstreken, danwel indien gedurende deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend en door de President van de Rechtbank een beslissing is genomen op dit verzoek. 2.. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag als bedoeld in de Wabo te geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien een gemeentelijk bestemmings-, bomen-, groen-, of landschapsplan de te vellen houtopstand direct of indirect als bijzonder of waardevol omschrijft, wordt in beginsel een herplantplicht opgelegd. 3.. Wordt een voorschrift als bedoeld in het tweede lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen. 4.. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften behoort het verbod om gedurende het broedseizoen geen gebruik te maken van de vergunning, tenzij het bevoegd gezag als bedoeld in de Wabo om zwaarwegende redenen van dit voorschrift afwijken. Voorts kunnen overige voorschriften ter bescherming van flora en fauna aan de vergunning worden verbonden. 5.. Wanneer een vergunning als bedoeld in artikel 2 wordt aangevraagd ter realisering van een bouwplan kan aan de vergunning het voorschrift worden verbonden dat van de vergunning geen gebruik mag worden gemaakt totdat de beslissing op de aanvraag van een bouwvergunning onherroepelijk is geworden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel