**1..** Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
pensioenberekeningen over jaren gelegen voor 1 januari
1986.
**2..** Behoudens het bepaalde in lid 3 bedraagt het pensioen voor ieder
van de eerste vier jaren als wethouder 3,5 percent en voor ieder
overig jaar als wethouder 1,75 percent, in totaal tot een
maximum van 70 percent, van de - in de zin van artikel 4 -
laatstelijk als wethouder genoten wedde inclusief
vakantie-uitkering en de eindejaars-uitkering, aangepast volgens
de regels als bedoeld in artikel 157, derde lid, van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers.
**3..** Indien recht bestaat op meer dan een pensioen krachtens of op de
voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers komen op
grond van artikel 139, lid 3, van deze wet voor de toepassing
van de pensioenberekening naar 3,5 percent per dienstjaar in
totaal ten hoogste vier dienstjaren in aanmerking en wordt die
berekening voor zover mogelijk toegepast ten aanzien van het
pensioen, waarbij die berekening het hoogste bedrag oplevert, en
overigens ten aanzien van het andere pensioen of de andere
pensioenen in de volgorde van de hoogte van de wedden of de
berekeningsgrondslag. Voor de vergelijking van deze wedden of
berekeningsgrondslag worden deze zonodig aangepast volgens de
regels, bedoeld in artikel 157, derde lid, van evengenoemde
wet.
**4..** De tijd met recht op uitkering doorgebracht telt als diensttijd
mee in die zin, dat het pensioen over deze tijd naar 0,875
percent per jaar wordt berekend, met dien verstande dat, wanneer
het een uitkering betreft als bedoeld in artikel 4a, het
pensioen over deze tijd naar 1,75 percent per jaar wordt
berekend, voor zover en voor zolang het percentage van de
algemene invaliditeit 55 of meer bedroeg. Voor de toepassing van
de vorige volzin worden uitkeringen als bedoeld in artikel 2 en
in artikel 3, leden 1 en 2, aangemerkt als een uitkering als
bedoeld in artikel 4a, indien en zolang belanghebbende tijdens
de duur van eerstbedoelde uitkeringen voor 55 percent of meer
algemeen invalide was.
**5..** In afwijking van het vierde lid wordt het pensioen over de in
dat lid bedoelde tijd berekend naar de helft van het ingevolge
dat lid toepasselijke percentage, over het gedeelte van die tijd
waarin de uitkering is verminderd wegens het genieten van
inkomsten als bedoeld in artikel 5.
Geen meetelling van diensttijd als bedoeld in het vierde lid
vindt plaats:
voor zover gedurende de in dat lid bedoelde tijd de
uitkering wegens het genieten van inkomsten als bedoeld
in artikel 5, eerste lid, tot nihil verminderd;
in zover de belanghebbende die recht heeft op uitkering,
maar die minder uitkering geniet dan de krachtens
artikel 59 berekende inhoudingen ter zake van ouderdom
en overlijden, er geen zorg voor draagt dat het bedrag
van deze inhoudingen, welk bedrag in dit geval als een
op hen rustende schuld wordt beschouwd, bij het bereiken
van de 65-jarige leeftijd is voldaan;
indien de belanghebbende zulks verzoekt.
**6..** Voor de toepassing van het vijfde lid wordt de vergoeding voor
de werkzaamheden als lid van de gemeenteraad niet beschouwd als
daar bedoelde inkomsten.
AFDELING II › HOOFDSTUK II
Artikel 18
Berekening van het eigen pensioen over tijd voor 1 januari 1986
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van Ommen