Naar hoofdinhoud

Paragraaf 4

Artikel 14

Zeer ernstige misdragingen

Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ

1.. Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college, zijn ambtenaren of andere personen namens het college, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18 lid 2 WWB, artikel 20 lid 2 IOAW en artikel 20 lid 1 IOAZ, wordt onverminderd artikel 2 lid 2, een maatregel opgelegd van minimaal twintig procent van de uitkeringsuitkeringsnorm gedurende een maand. 2.. De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5 lid 2. 3.. Het college kan bij een derde en volgende verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel binnen twaalf maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging de hoogte en de duur van de verlaging individueel bepalen, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende. Paragraaf 5 Handhaving

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel