Naar hoofdinhoud

Artikel 1.

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2013

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken van enig gewicht en/of enige omvang, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorrijtuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (Stb. 1994, 475) aangehouden register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven; parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale computers voor het verlenen van diensten op het gebied van telefonische betaling bestemd voor registratie van parkeerbewegingen en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; parkeerplaats: een voor het parkeren bestemd en als zodanig aangeduid gedeelte van de openbare weg of van een terrein; vergunning: een door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Parkeerverordening 2012, krachtens welke het is toegestaan een voertuig te parkeren op de daartoe aangewezen parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen; vergunninghouder: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend; vergunningsbewijs: een door de gemeente verstrekt schriftelijk bewijs van de verleende vergunning; dag: een kalenderdag; maand: een kalendermaand; kwartaal: een aaneengesloten periode van drie maanden; jaar: een aaneengesloten periode van twaalf maanden; dagdeelvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Parkeerverordening 2012, met dien verstande dat deze vergunning slechts gedurende één dagdeel geldig is; dagdeel: een periode van 00.00 uur tot 14.00 uur en een periode van 12.00 tot 24.00 uur; ontheffing: een door het college van burgemeester en wethouders verleende ontheffing als bedoeld in artikel 8 van de Parkeerverordening 2012 en artikel 3 van deze verordening ontheffinghouder: de houder van het voertuig waarvoor ontheffing is verleend; ontheffingsbewijs: een door de gemeente verstrekt schriftelijk bewijs van de verleende ontheffing; zone: een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen gedeelte van de op grond van artikel 9 van deze verordening en artikel 2 van de Parkeerverordening 2012 aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen; deelauto: een motorvoertuig bestemd voor deelautogebruik; deelautogebruik: het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van een motorvoertuig op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een professionele aanbieder; winkelparkeerkaart: een parkeerkaart, welke na het voldoen van parkeerbelasting op aangifte, bij aanvang van het parkeren afgegeven wordt door parkeerapparatuur en waarmee tegen een gereduceerd tarief voor de duur van vier uur geparkeerd kan worden, op de daartoe door het het college van Burgemeester en wethouders aangewezen parkeerplaatsen.

Rechtspraak bij dit artikel