Het college biedt, voor zover het college dat noodzakelijk acht, aan uitkeringsgerechtigden, Anw-ers en Nuggers alsmede aan personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de WWB, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling.
Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op de arbeidsinschakeling.
Bij het aanbieden van voorzieningen als bedoeld in het eerste lid heeft het college aandacht voor een evenwichtige aanpak van groepen uitkeringsgerechtigden. Binnen de primaire doelgroepen van de wet kan het college extra aandacht geven aan specifieke categorieën belanghebbenden.
Het college kan, conform het bepaalde in artikel 9 van de wet, tijdelijk afzien van het aanbieden van een voorziening als bedoeld in het eerste lid, wanneer daar in individuele gevallen dringende redenen voor zijn.
Het college laat werkzaamheden in het kader van de ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, zoveel mogelijk verrichten door een natuurlijke of rechtspersoon die in het kader van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in het arbeidsproces bevordert.
Ter uitvoering van de in het eerste lid genoemde ondersteuning, stelt het college jaarlijks het beleid vast op basis van het beschikbare budget.
Bij het beleid als bedoeld in het zesde lid wordt het advies van het cliëntenplatform uitkeringsgerechtigden en minima Opsterland (CUMO) betrokken.
De gemeenteraad en het CUMO worden jaarlijks periodiek geïnformeerd over de doeltreffendheid en de effecten van het beleid.
Het college kan, voor zover het college dat noodzakelijk acht, een voorziening als bedoeld in deze verordening aanbieden aan personen aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt indien het College en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daarover een overeenkomst hebben afgesloten.
Het college kan, voor zover het college dat noodzakelijk acht, een voorziening als bedoeld in deze verordening aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep als beschreven in artikel 1 van de Wet participatiebudget.