Een ieder kan de commissie verzoeken het woord te mogen voeren: a. over een voor de overlegvergadering geagendeerd onderwerp; b. over een onderwerp dat vreemd is aan de orde van de dag, zulks uitsluitend voor zover het onderwerp behoort tot de competentie van de commissie.
Het verzoek als bedoeld in lid 1, onderdeel a, wordt ten minste 48 uur voor aanvang van de betreffende vergadering schriftelijk ingediend bij de voorzitter door tussenkomst van de griffier van de commissie.
Het verzoek dient een opgave te bevatten van
de naam van degene die gebruik maakt van het inspreekrecht;
het onderwerp waarop het inspreekrecht betrekking heeft;
een (korte) toelichting waarom gebruik wordt gemaakt van het inspreekrecht.
Onvolledige verzoeken worden niet in behandeling genomen.
Bij de vaststelling van de agenda bepaalt de commissie op voorstel van de voorzitter of het verzoek wordt gehonoreerd.
De inspreker krijgt gedurende maximaal vijf minuten de gelegenheid het woord te voeren, tenzij de commissie anders beslist.
De inspreker is gehouden zijn betoog onmiddellijk te beëindigen indien de voorzitter hem daartoe verzoekt, zijn spreektijd is gebruikt of de orde van de vergadering dit noodzakelijk maakt.
Verzoeken als bedoeld in lid 1, onderdeel b, worden op voorstel van de voorzitter gehonoreerd op een ander moment dan tijdens een commissievergadering, maar uiterlijk binnen drie weken. In de regel wordt zo’n moment gepland rond de Actualiteiten van de raad op de eerste of tweede donderdag van de cyclus. De commissie besluit bij de vaststelling van de agenda op welke dag en tijdstip commissieleden beschikbaar zijn voor het onder de aandacht van de commissieleden brengen van niet geagendeerde onderwerpen.
Insprekers kunnen adressen of andere bescheiden, daaronder tevens begrepen kunst- en gebruiksvoorwerpen, aanbieden aan de voorzitter van de commissie, dan wel degene die hem vervangt. De commissiegriffier zorgt ervoor dat deze adressen en bescheiden worden geregistreerd en gearchiveerd.