1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a.de wet: de Wet werk en bijstand.
b.normbedrag: het toepasselijke naar leefvorm vastgestelde bedrag als bedoeld in artikel 20 en 21 van de wet.
c.gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel c, van de wet.
d.toeslag: het verhogen van het normbedrag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders met een percentage (ten hoogste 20%)van de gehuwdennorm.
e.verlagen: het verlagen van het normbedrag voor gehuwden met een percentage (ten hoogste 20%) van de gehuwdennorm.
f.onderhuurder: de persoon die onderhuurt of op commerciële basis een medebewoner is en wiens woonsituatie voldoet aan het volgende:
het te onderhuren/mede-te-bewonen deel van de woning is zelfstandig geschikt voor bewoning,
de prijs per maand is minstens gelijk aan 10%van de gehuwdennorm en
de onderhuurder/medebewoner staat ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente op het onderhuuradres
g.hoofdbewoner: een belanghebbende die eigenaar of hoofdhuurder is van woonruimte en die in de woonruimte hoofdverblijf heeft.
h.zorgbehoevende: degene die is aangewezen op verzorging ter voorkoming van opname in een verpleeg- of verzorgingshuis.
i.Woonkosten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het enkele gebruik van woonruimte waarin feitelijk verblijf wordt gehouden.
j.Woonlasten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het (mede)gebruik van voorzieningen, aanwezig in de woonruimte, waarin feitelijk verblijf wordt gehouden.
Hoofdstuk 5: › Paragraaf 5.1:
Artikel 27:
Aanvullende definities voor deze paragraaf
Onderdeel van Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2012-II