Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Paragraaf 2.

Artikel 17.

Spreekrecht burgers

Onderdeel van Verordening op de raadscommissies 2010

1.. Burgers hebben spreekrecht. Zij kunnen gezamenlijk gedurende maximaal dertig minuten, tenzij de commissie daartoe anders beslist, het woord voeren in de commissievergadering over geagendeerde onderwerpen. 2.. Het woord kan niet gevoerd worden over: een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar en beroep openstaat of heeft opengestaan; benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend. 3.. Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit zo spoedig mogelijk maar in ieder geval vijf minuten voor de aanvang van de vergadering aan de (commissie)griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp, waarover hij het woord wil voeren. 4.. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering. 5.. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De voorzitter kan de deelnemers aan de commissievergadering toestaan aan insprekers vragen te stellen. 6.. De voorzitter of een lid doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van de burger.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel