Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college van burgemeester en wethouders te geven aanwijzingen moet worden herplant.
Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.
Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.
Een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde van feitelijk niet-gebruik tot het moment van definitief worden van de vergunning, oftewel tot het moment dat:
a de bezwaar- of beroepstermijn voor derden is verstreken zonder dat bezwaar of beroep is ingediend;
b beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening;
c beslist is op het beroep van derden en geen verzoek tot voorlopige voorziening is gedaan;
en voorts, wanneer de kapvergunning is verleend ter uitvoering van een bouwplan, een sloopplan of een ruimtelijk plan, waarvoor respectievelijk een bouwvergunning als bedoeld in de Woningwet, een sloopvergunning als bedoeld in de Bouwverordening of een aanlegvergunning als bedoeld in de Woningwet, dan wel een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is vereist:
d.wanneer de bouwvergunning, sloopvergunning, aanlegvergunning of vrijstelling van kracht is geworden.
Hoofdstuk 4 › Afdeling 5
Artikel 4.5.5
Bijzondere vergunningsvoorschriften
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2003