Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 5.3.3.2

Aanleggen en ligplaats innemen

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2003

1.. Het is verboden met een vaartuig: a.. aan te leggen; b.. ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen; 2.. Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor: a.. het tijdelijk innemen van een ligplaats met een beroepsvaartuig als passant aan de daartoe door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ligplaatsen; b.. het innemen van een ligplaats met een pleziervaartuig in de daartoe bestemde jachthaven en aan daartoe door of vanwege, dan wel met toestemming van de gemeente aangelegde voorzieningen; c.. het tijdelijk innemen van een ligplaats op of bij een terrein van een ingevolge de Wet milieubeheer vergunningplichtige inrichting voor het bouwen, onderhouden of repareren van schepen; d.. aanleggen of ligplaats innemen aan een niet bij een overheid in eigendom zijnde wal of kade met een vaartuig dat in eigendom is bij de rechthebbende op die wal of kade. 3.. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wijst het college van burgemeester en wethouders kaden en wallen aan waar, met of zonder een persoonlijke of zakelijke vergunning van hun college van burgemeester en wethouders voor met name genoemde categorieën vaartuigen: a.. aanleggen is toegestaan; b.. ligplaats mag worden ingenomen. 4.. Het college van burgemeester en wethouders stelt voor de ingevolge het derde lid aangewezen lig- en aanlegplaatsen de afmetingen vast. De geldende lengtemaat wordt gemeten van steven tot steven. 5.. Het college van burgemeester en wethouders visualiseert de in het vierde lid bedoelde ligplaatsen, op een openbare ligplaatsenkaart. 6.. Een in het derde lid bedoelde vergunning kan slechts worden aangevraagd door de rechthebbende op het betreffende vaartuig. 7.. Een in het derde lid bedoelde vergunning kan worden geweigerd: a.. in het belang van de openbare orde; b.. in het belang van de volksgezondheid; c.. in het belang van de milieuhygiëne; d.. indien voor de betreffende ligplaats reeds vergunning is verleend; e.. het vaartuig, waarvoor vergunning wordt gevraagd, niet voldoet aan de maten, welke voor de betreffende ligplaats of –plaatsen gelden; f.. indien het uiterlijk van het vaartuig, waarvoor vergunning wordt gevraagd, afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente; g.. het vaartuig niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; h.. indien het niet aannemelijk is dat de aanvrager binnen 12 weken na de datum van de verlening van de betreffende ligplaats met het vaartuig kan innemen. 8.. Het in dit artikel gestelde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement of de Vaarwegenverordening Friesland van toepassing is.

Rechtspraak bij dit artikel