Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2012B
De voorzitter, De raadsgriffier,
Drs H.M.F. Bruls mevr drs M.M.V. Mientjes
Algemene toelichting
De regeling in de Wet werk en bijstand
Met de inwerkingtreding van de Wwb kwam het systeem van boeten en maatregelen van de Algemene bijstandswet te vervallen. De Wwb kende slechts één soort sanctie: het verlagen van de uitkering. Met de intrekking van de Wet investeren in jongeren en de wijziging van de Wwb per 1 januari 2012 is het tevens mogelijk om een uitkering ook in te trekken als een jongere ondubbelzinnig laat merken niet mee te willen werken aan de verplichting opgenomen in een plan van aanpak bedoeld in artikel 44a van de wet. Dit is dus ook een vorm van een sanctie.
De verplichting om de verlaging van de uitkering bij verordening te regelen is vervat in artikelen 8 en 8a van de Wwb
Artikel 18 van de Wwb bevat de wettelijke basis voor het afstemmen van de bijstand.
Dit artikel luidt:
Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel artikel 30 c tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand of de langdurigheidstoeslag. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.
Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede verstaan het gezin.
In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij recht wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van uitkeringsgerechtigden. In tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke bijstandsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of als er sprake is van dringende redenen, ziet het college af van zo’n verlaging.
De term ‘maatregel’
Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de terminologie van de Wwb aangeduid als het afstemmen van de uitkering op de mate waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met het begrip ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de Wwb benadrukt dat rechten en plichten één kant van dezelfde medaille vormen. Uit oogpunt van eenduidigheid en vanwege de reeds in het spraakgebruik ingeburgerde term wordt het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen aangeduid als het opleggen van een maatregel.
Hiermee wordt ook het sanctionerende karakter benadrukt. Dat betekent niet dat de maatregel een punitieve sanctie is, waarbij het leedtoevoegend karakter voorop staat. Het is een reparatoire sanctie (ook wel herstelsanctie genoemd), gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand met de mate waarin de bijstandsgerechtigde de aan de uitkering verbonden verplichtingen nakomt.
Het verlagen van de bijstand
Op grond van artikel 18, tweede lid, Wwb kan zowel de bijstand (dat wil zeggen: algemene bijstand en bijzondere bijstand) als de langdurigheidstoeslag worden verlaagd bij wijze van maatregel. In deze verordening is er voor gekozen dat maatregelen in beginsel worden opgelegd over de bijstandsnorm (de op belanghebbende van toepassing zijnde norm plus eventuele toeslagen). De uitzondering hierop vormt de bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot 21 jaar. Deze groep ontvangt een algemene bijstandsnorm welke aangevuld kan worden door middel van bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lagere algemene bijstandsnorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de groep 21-jarigen en ouder. Op andere vormen van bijzondere bijstand wordt geen maatregel opgelegd. Er is voor gekozen om de maatregel niet op te leggen op de langdurigheidstoeslag. Ten eerste vanwege de strijdigheid met het karakter van deze toeslag en ten tweede omdat de samenloop van een maatregel en een langdurigheidstoeslag in de praktijk vrijwel niet zal voorkomen.
De verplichting van artikel 8a Wwb
Door een amendement van 30 juli 2003 (nr.12), aangenomen in de tweede kamer, is artikel 8a in de Wwb terechtgekomen. Dit artikel bepaalt dat de gemeenteraad in het kader van het financiële beheer bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Het vaststellen van een separate verordening is overbodig nu de maatregelverordening ook regels stelt over misbruik en oneigenlijk gebruik. Bovendien is in artikel 14 van de verordening geregeld op welke wijze het college verantwoording aflegt aan de raad over het gevoerde en te voeren handhavingsbeleid.
Re-integratieverordening
In de Re-integratieverordening zijn nadere verplichtingen als het gaat om de arbeidsverplichting opgenomen. Naast het opleggen van een maatregel bij het niet nakomen van de verplichtingen zoals die in de wet zijn opgenomen, wordt er ook een maatregel opgelegd als de verplichtingen zoals die in de Re-integratieverordening zijn opgenomen, niet worden nagekomen.
HOOFDSTUK 6.
Artikel 16.
Citeertitel
Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2012B