Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5 › Afdeling 1

Artikel 5.1.1

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening

In deze afdeling wordt verstaan onder: a. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990)  met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; b. parkeren: parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens ( RVV 1990); c.aanhangwagens: aanhangwagens als bedoeld in artikel 1 onder a, van het c. Reglement verkeersregels en verkeerstekens ( RVV 1990) c.Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. c.Artikel 5.1.3 Defecte voertuigen c.Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. c.Artikel 5.1.4 Voertuigwrakken Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer c.Artikel 5.1.5 Parkeren van voertuigen met gevaarlijke stoffen Het is verboden om een voertuig dat wordt gebezigd voor het vervoer van meer dan 300 kilogram gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 2 van de Wet gevaarlijke stoffen te parkeren indien zich binnen een straal van 250 meter gebouwen bevinden waarbinnen zich personen plegen op te houden. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of de Wet Milieubeheer van toepassing is. c.Artikel 5.1.6 Caravans en dergelijke Het is verboden een kampeerwagen, een caravan of een ander voor de recreatie bestemd voertuig en aanhangwagens langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg of op een van af de weg zichtbare plaats te parkeren. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wegenverordening Gelderland 2010 van toepassing is. c.Artikel 5.1.7 Parkeren van reclamevoertuigen Het is verboden een voertuig dat kennelijk bedoeld is als voorwerp om reclame mee te maken op de weg te parkeren. Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod ontheffing verlenen. c.Artikel 5.1.8 Parkeren van grote voertuigen Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op andere dan door burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit aangewezen wegen. Deze aanwijzing wordt openbaar bekend gemaakt overeenkomstig artikel 1.14. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. c.Artikel 5.1.9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. c.Artikel 5.1.10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet Milieubeheer van toepassing is. c.Artikel 5.1.11 Aantasting groenvoorziening door voertuigen Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Dit verbod is niet van toepassing: op de weg; op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. c.Afdeling 2 Collecteren, venten en standplaatsen c.Artikel 5.2.1 Collectes Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. Onder een inzameling van geld en goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk voor een ideëel of liefdadig doel is bestemd. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. Het college is bevoegd collectes die aan te wijzen die voorkomen op een landelijk vastgesteld collecteplan en waarvoor het in het eerste lid genoemde verbod niet geldt. Het college is bevoegd algemene regels te geven met betrekking tot het houden van deze collectes. De vrijstelling van het verbod geldt slechts, in het geval van vaststelling van deze algemene regels, indien zij worden nageleefd. c.Artikel 5.2.2 (Vervallen) c.Artikel 5.2.3 Standplaatsen: Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden. Het is de rechthebbende op een voor publiek toegankelijk en in de openlucht gelegen perceel verboden toe te staan, dat daarop zonder vergunning van burgemeester en wethouders standplaats wordt of is ingenomen. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in art. 7 eerste lid van de Grondwet. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op de plaats die is aangewezen voor het houden van een door de gemeenteraad ingestelde markt, zulks gedurende de tijden waarop die markt gehouden wordt en voor een evenement als bedoeld in artikel 2.2.1. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet Milieubeheer, de Woningwet, het Rijkswegenreglement of de Gelderse wegenverordening van toepassing is. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Burgemeester en wethouders houden de beslissing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag tevens een activiteit betreft die vergunningplichtig is op basis van de Wet Milieubeheer en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het zesde lid, tot de dag waarop de beslissing omtrent de vergunning ingevolge de Wet Milieubeheer is genomen. c.Artikel 5.2.4 Te koop aanbieden van voertuigen Het is verboden op een door het college aangewezen wegen een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen. c.Afdeling 3Slachten van dieren c.Artikel 5.3.1 Publiekelijk slachten c.Het is verboden op of zichtbaar vanaf voor het publiek toegankelijke plaatsen, dieren te slachten. c.Afdeling 4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden c.Artikel 5.4.1 Crossterreinen Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bronfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat c.artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994  daaronder verstaat. c. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien c. door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren c.Artikel 5.4.2 Beperking verkeer in natuurgebieden Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, als bedoeld in artikel 1 onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990, of met een fiets of met een paard. Het verbod geldt niet voor gebieden die door het college zijn aangewezen. Het college kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het vorkomen van overlast in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden in het belang van de veiligheid van het publiek. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden; ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als bedoeld in het eerste lid; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijke gerechtigden en huurders en pachters van percelen die gelegen zijn de terreinen als bedoeld in het eerste lid. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d. bedoelde personen. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening ‘Stiltegebieden’ aangewezen stiltegebieden te aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. c.Afdeling 5Verstrooiing van as c.Artikel 5.5.1 Begripsomschrijving c.In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. c.Artikel 5.5.2 Regulering incidentele asverstrooiing Incidentele asverstrooiing is verboden op: verharde delen van de weg; gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen; kinderspeelterreinen; ligweiden. Het is verboden om as te verstrooien op door het college aangewezen plaatsen anders dan in lid 1, gedurende door het college te bepalen termijnen. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. c.Artikel 5.5.3 Verbod incidentele asverstrooiing bij hinder of overlast voor derden c.Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. c.Afdeling 6 Straatnaamborden, huisnummers, brandkranen en dergelijke(vervallen) c.Artikel 5.6.1 (Vervallen) c.Artikel 5.6.2 (Vervallen) c.Afdeling 7Gevonden voorwerpen c.Artikel 5.7.1 (Vervallen) c.Artikel 5.7.2 Detectorverbod Burgemeester en wethouders kunnen terreinen aanwijzen waarvoor een detectorverbod geldt. Deze aanwijzing wordt openbaar bekend gemaakt overeenkomstig artikel 3:42 Awb. Het is verboden zich anders dan met vergunning van burgemeester en wethouders, met een metaaldetector te bevinden op de onder lid 1 bedoelde terreinen. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op degene aan wie ingevolge artikel 40 van de Monumentenwet 1988 een opgravingvergunning is verstrekt. c.Afdeling 8Recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein c.Artikel 5.8.1 Begripsomschrijvingen c.In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. c.Artikel 5.8.2 Recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:15 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: natuur en landschap; de bescherming van een stadsgezicht. c.Artikel 5.8.3 Aanwijzing kampeerplaatsen Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod in artikel 5.8.2, lid 1 niet geldt. Het college kan daarbij nadere regels stellen met betrekking tot tijdstippen, perioden en soort kampeermiddel voor de plaatsen in lid 1. c.Hoofdstuk 6STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN c.Artikel 6.1 Strafbepalingen Behoudens het bepaalde in de volgende leden, wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening en de op grond van artikel 1.9 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Overtredingen van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1.9 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie: artikel 2.4.10, artikel 2.4.11, artikel 2.4.11a, artikel 2.4.11b, artikel 2.4.22, artikel 2.5.2 en artikel 4.1.1. Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 4.2.2.1 tot en met 4.2.4.2 bepaalde en de op grond van artikel 1.9 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen geldt als strafbaar feit op grond van artikel 1a van de Wet economische delicten. c.Artikel 6.1a Toezichthouders 1.Met inachtneming van de uitzonderingen als bedoeld in het tweede lid van dit artikel zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening en de op grond van artikel 1.9 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen belast de toezichthouders van het bureau Toezicht afdeling Stadstoezicht. c.2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor: artikel 2.1.1.1 artikel 2.1.2.3 artikel 2.2.3 de artikelen 2.2.10 en 2.2.11 artikel 2.3.1.4 artikel 2.4.12 artikel 2.6.1 hoofdstuk 3 met uitzondering van artikel 3.2.6 de artikelen 4.2.2.1 tot en met 4.2.4.2 Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening en de op grond van artikel 1.9 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen belast de door burgemeester en wethouders dan wel de burgemeester aangewezen personen. c.Artikel 6.2 (Vervallen) c.Artikel 6.3 Het binnentreden in woningen zonder toestemming van de bewoners c.Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. c.Artikel 6.4 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op een door burgemeester en wethouders nader te bepalen dag na die waarop zij is afgekondigd. Op dat tijdstip worden de volgende verordeningen of bepalingen uit verordeningen ingetrokken: de Nijmeegse Politieverordening, vastgesteld op 27 juni1962, sedertdien gewijzigd; de Afvalstoffenverordening; artikelen 30 en 31 Brandbeveiligingsverordening; verordening houdende toepassing van de artikelen 8 en 22, lid 6 van de Drank- en Horecawet; de Geluidhinderverordening recreatie-inrichtingen; de verordening speelautomatenhallen; de verordening tot wering van overlast als gevolg van het zonder toestemming van rechthebbende in gebruik nemen van gebouwen. c.Artikel 6.5 Overgangsbepalingen Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4 lid 1, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Vervallen. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van een verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvrage is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast. Vervallen. Vervallen. Vervallen. Vervallen. c.Artikel 6.6 Aanhalingstitel c.Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Nijmegen. c.Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad der gemeente Nijmegen d.d. 29 januari 1992. c.De Voorzitter, De Secretaris. c.mr. E.M. d'Hondt mr. F.J. Derks

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel