Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 20.

Gemeenschappelijke ruimten

Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2012

1.. De eigenaar van een woning is primair verantwoordelijk voor het aanbrengen van voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten als de persoon met beperkingen zonder deze voorziening niet in staat zou zijn de woning te bereiken. 2.. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders een woonvoorziening verlenen als weigering van de aanvraag niet redelijk en billijk is gezien de individuele persoonlijke omstandigheden. In die situatie is er ruimte voor het treffen van uitsluitend de volgende voorzieningen aan gemeenschappelijke ruimten: a.. automatische deuropeners; b.. hellingbanen; c.. een tweede trapleuning; 3.. Tot de voorziening als bedoeld in het tweede lid worden mede de kosten van periodiek onderhoud aan die voorziening begrepen. 4.. Een voorziening als bedoeld in het tweede lid wordt verleend ten behoeve van de in de woning woonachtige aanvrager. Als deze persoon niet langer in de woning woonachtig is dan wel dat de noodzaak tot voortzetting van de voorziening is komen te vervallen, dan zijn burgemeester en wethouders bevoegd de aangebrachte voorziening te verwijderen dan wel het in het derde lid genoemde onderhoud te staken. 5.. In het tweede lid genoemde voorziening wordt slechts verleend, indien de eigenaar van de woning, dan wel de vereniging van eigenaren schriftelijk verklaard heeft geen bezwaar tegen het aanbrengen van de voorziening te hebben.

Rechtspraak bij dit artikel