Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 17

Verplichting tot zelfbewoning en verbod tot overdracht van het erfpachtrecht

Onderdeel van Algemene Bepalingen voor uitgifte van onroerende zaken in erfpacht 2006

Wanneer het perceel is aangewend ten behoeve van de realisering van een woning is de erfpachter verplicht de woning uitsluitend te gebruiken om zelf (met zijn eventuele gezinsleden) te bewonen en het erfpachtrecht op de grond niet aan derden over te dragen, één en ander behoudens het vermelde in de hierna volgende leden. De verplichting onder lid 1 vervalt in geval van: a. verkoop van het erfpachtrecht op grond van een machtiging van de rechter als bedoeld in artikel 174 boek 3 Burgerlijk Wetboek b. executoriale verkoop van het erfpachtrecht door hypothecaire schuldeisers (artikel 268 boek 3 Burgerlijk Wetboek) c. schriftelijke ontheffing door burgemeester en wethouders als bedoeld in lid d. Het bepaalde in lid 1 en 2 vervalt nadat de erfpachter de desbetreffende woning gedurende drie achtereenvolgende jaren heeft bewoond. Als maatstaf geldt hierbij de datum waarop en de tijd gedurende welke de erfpachter als bewoner van het desbetreffende adres in het bevolkingsregister is ingeschreven. Burgemeester en wethouders kunnen schriftelijk ontheffing verlenen van het bepaalde in dit artikel. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden. Deze ontheffing wordt echter steeds verleend in geval van: a. verandering van werkkring van de erfpachter of diens levenspartner op grond waarvan redelijkerwijze verhuisd dient te worden; b. overlijden van de erfpachter of diens levenspartner; c. ontbinding van het huwelijk van de erfpachter door echtscheiding c.q. ontbinding van de duurzame samenleving of beëindiging van geregistreerd partnerschap; d. verhuizing waartoe wordt genoodzaakt door de gezondheid van de erfpachter en/of zijn levenspartner of van (één van) zijn gezinsleden. Indien de erfpachter het recht van erfpacht op de onder lid 1 van dit artikel bedoelde woning aan derden overdraagt verbeurt de erfpachter (behoudens het gestelde in lid 2 en 3 en het verkrijgen van ontheffing als bedoeld in lid 4) ná ingebrekestelling en ná verloop van de daarin gestelde termijn ten behoeve van de gemeente een onmiddellijk opeisbare boete van 50 % van de door de erfpachter gerealiseerde verkoopprijs van het recht. Onder verkoopprijs wordt hierbij verstaan de prijs die in de overeenkomst als tegenprestatie voor de onroerende zaak is overeengekomen. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de erfpachter die met instemming van de gemeente voor derden bouwt maar is wel van toepassing op degene (zijnde de derde) die van deze erfpachter een recht van erfpacht verkrijgt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel