Deze verordening verstaat onder:
“markt”: de door het college ingestelde warenmarkt;
“standplaats”: de op (en voor de duur van) de markt door het bevoegde gezag aangewezen ruimte voor het uitoefenen van de markthandel;
“vaste plaats”: een standplaats, die voor onbepaalde tijd beschikbaar wordt gesteld;
“dagplaats”: een standplaats, die per marktdag beschikbaar wordt gesteld;
“standplaatshouder”: ieder aan wie door het bevoegde gezag een vergunning is toegekend om gedurende een markt een standplaats te bezetten;
“frontbreedte van een standplaats”: de lengte van de zijde van een standplaats met een ruimte van maximaal 3 strekkende meters diepte die aan een voor het publiek geprojecteerde gang is gelegen;
“oppervlakte van een standplaats”: de oppervlakte van een standplaats met een ruimte van meer dan 3 strekkende meters;
“week”: kalenderweek;
“maand”: kalendermaand;
“kwartaal”: kalenderkwartaal;
“belastingjaar”: het kalenderjaar (waarin de belastingplicht is ontstaan).
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van marktgeld 2013