Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2. › Afdeling 5.

Artikel 2:10

Voorwerpen op of aan de weg

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2012

1.. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan het aanzien van de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; van het gebruik niet tenminste 10 werkdagen voorafgaand aan het gebruik melding is gedaan aan het college op een door het college vastgesteld meldingsformulier. 2.. Van belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een doorgang van 1,2 meter breed wordt vrij gelaten op voetpaden, van 3 meter breed op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer en een hoogte van 4,2 meter wordt vrij gelaten op zowel voetpaden als rijbanen. 3.. Van een belemmering voor de bruikbaarheid of het aanzien van de weg is in ieder geval sprake indien de voorwerpen langer dan een al dan niet aaneengesloten periode van 14 dagen geplaatst worden. 4.. In afwijking van het bepaalde in het derde lid, geldt voor voorwerpen in de vorm van reclame voor evenementen een termijn van twee dagen na afloop van het betreffende evenement. 5.. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van de voorwerpen als bedoeld in dit artikel. 6.. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 7.. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; terrassen als bedoeld in artikel 2:28; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; vlaggen, wimpels en vlaggenstokken; zonneschermen; spandoeken, voor zover zij zijn aangebracht boven de weg of voor voetgangers of fietsers bestemde gedeelte van de weg, voor zolang zij feitelijk betekenis hebben en voor zover: elk onderdeel tenminste 4,2 meter boven de weg gehangen wordt; de spandoeken op een deugdelijke wijze worden bevestigd ter voorkoming van gevaar voor het wegverkeer; de spandoeken gedurende maximaal zes weken aanwezig zijn; overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 8.. Het bevoegde bestuursorgaan kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 9.. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale wegenverordening. 10.. Op de ontheffing als bedoeld in het vijfde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel