Naar hoofdinhoud

Afdeling II

Artikel 6.

Wijze van heffing en termijnen van betaling

Onderdeel van Verordening Parkeren en Parkeerbelastingen 2014

1.. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven door voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren. 2.. Indien het in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt via registratie op een centrale computer, geschiedt de betaling van de belasting in afwijking van het bepaalde in het eerste lid: uiterlijk 1 maand na het einde van het parkeren; en overeenkomstig de voorwaarden van de aanbieder van de betreffende dienst. 3.. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven via een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waartoe ook wordt gerekend een nota of andere schriftuur, en moet worden betaald voorafgaand aan het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. 4.. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald. 5.. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften als voldoening op aangifte aangemerkt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel