Voor openstaande vorderingen wordt een voorziening wegens
oninbaarheid gevormd. Het gaat hierbij om de zgn.
belastingvorderingen (roerende -/onroerende zaakbelastingen,
toeristenbelasting, precariorechten, hondenbelasting,
rioolrechten, afvalstoffenrechten e.d.) en de overige
vorderingen.
De omvang van de voorziening per balansdatum wordt
vastgesteld op basis van de ouderdom van de vordering. De
debiteuren zijn gewaardeerd tegen de nominale waarde met
inachtneming van een aftrek van oninbaarheid. Daarbij wordt
de verwachte oninbaarheid uitgedrukt in een percentage van
de openstaande vordering.
Na één jaar wordt aangenomen dat de oninbaarheid van de
openstaande vordering 25% is. Ieder jaar daarna neemt de
kans dat de vordering ook daadwerkelijk wordt ontvangen met
25% af. Na vier jaar wordt er van uitgegaan dat de vordering
niet meer wordt geïncasseerd. Betalingen die na die periode
alsnog binnenkomen vallen te gunste van die voorziening. Bij
de overige vorderingen blijven de publiekrechtelijke
vorderingen buiten beschouwing.
Paragraaf 3.
Artikel 11.
Voorziening voor oninbare vorderingen
Onderdeel van Financiële verordening ex artikel 212 Gemeentewet