Naar hoofdinhoud

Paragraaf 3.

Artikel 11.

Voorziening voor oninbare vorderingen

Onderdeel van Financiële verordening ex artikel 212 Gemeentewet

Voor openstaande vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd. Het gaat hierbij om de zgn. belastingvorderingen (roerende -/onroerende zaakbelastingen, toeristenbelasting, precariorechten, hondenbelasting, rioolrechten, afvalstoffenrechten e.d.) en de overige vorderingen. De omvang van de voorziening per balansdatum wordt vastgesteld op basis van de ouderdom van de vordering. De debiteuren zijn gewaardeerd tegen de nominale waarde met inachtneming van een aftrek van oninbaarheid. Daarbij wordt de verwachte oninbaarheid uitgedrukt in een percentage van de openstaande vordering. Na één jaar wordt aangenomen dat de oninbaarheid van de openstaande vordering 25% is. Ieder jaar daarna neemt de kans dat de vordering ook daadwerkelijk wordt ontvangen met 25% af. Na vier jaar wordt er van uitgegaan dat de vordering niet meer wordt geïncasseerd. Betalingen die na die periode alsnog binnenkomen vallen te gunste van die voorziening. Bij de overige vorderingen blijven de publiekrechtelijke vorderingen buiten beschouwing.

Rechtspraak bij dit artikel