Naar hoofdinhoud

Paragraaf 2.

Artikel 2.

Inrichting begroting en jaarstukken

Onderdeel van Financiële verordening ex artikel 212 Gemeentewet

De raad stelt in ieder geval bij aanvang van een nieuwe raadsperiode een programma-indeling vast. De raad steltper programma vast: de beoogde maatschappelijke effecten; de te leveren goederen en diensten; de baten en lasten. Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde goederen en diensten en de maatschappelijke effecten, opdat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad kunnen worden getoetst. Bij de uiteenzetting van de financiële positie van de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het krediet in het lopende boekjaar weergegeven. In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven weergegeven Het college draagt zorg voor een adequate vertaling van de verantwoording van de programmabegroting. Het college legt verantwoording af over de uitvoering van de programma’s. In de verantwoording geeft het college aan: wat is bereikt; welke goederen en diensten zijn geleverd; wat de kosten zijn; hoe de resultaten zich verhouden tot de in de begroting gestelde doelen. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 212 van de Gemeentewet gelden voor de verplichte paragrafen behorende bij de begroting en de jaarrekening de minimum vereisten, zoals deze in de overeenkomstige paragraaf van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten zijn (BBV) opgenomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel